ARCHIEF

Stemmingsmeter

  • A en B pakken beiden een stuk papier. Daarop schrijven zij een cijfer dat de stemming van dàt moment weer geeft. Ze mogen nog niet aan elkaar laten zien welk cijfer ze gegeven hebben.
  • Vervolgens vraagt A aan B welk cijfer hij/zij genoteerd heeft. A vraagt aan B om uit te leggen welke factoren gemaakt hebben dat het cijfer niet hoger is, (dit zijn dus de negatieve factoren). A gaat net zolang door met vragen tot dat hij/zij een duidelijk beeld heeft van de negatieve factoren die van belang zijn. Het gaat daarbij niet alleen om het benoemen van die factoren.  A vraagt ook om toelichting bij elke factor tot een duidelijk beeld ontstaat. A is pas klaar als hij/zij zich een voorstelling van de gevoelens van B kan maken en zich daarin kan inleven.
  • Vervolgens vraag A welke cijfers er voor gezorgd hebben  waarom het cijfer toch ook niet lager geworden is; de positieve factoren. Ook hier gaat A door met vragen tot hij/zij zich kan inleven in B.
  • Dan wisselen A en B van rol en wordt de procedure herhaald.